Kleedt politiek Den-Haag zichzelf uit?

gepubliceerd

Gaat er steeds meer macht naar Europa en naar gemeenten ten koste van het Rijk? Drie wetenschappers in FOCUS2018 aan het woord over lobbyen, glokaliseren en het sluiten van beleidscoalities.

'De nationale staat raakt steeds meer taken en bevoegdheden kwijt aan Europa en aan de gemeenten. Politiek Den Haag kleedt zichzelf uit.’ Dat schreef de Leidse hoogleraar bestuurskunde Jouke de Vries een aantal jaar geleden al in een artikel in Trouw over de Europese verkiezingen. Hij sprak daarbij over de toen hippe en vrij nieuwe term ‘glokalisering’, een trend die volgens hem nog steeds gaande is en door de decentralisaties zelfs versterkt. Glokaliseren, wat zoveel betekent als globaliseren en lokaliseren ineen, beschrijft een lokale tegenbeweging die ontstaat als reactie op een macrotrend zoals globalisering. Het weer ‘plaatselijk maken’ van producten en ideeën. Volgens De Vries zou die glokalisering ervoor gaan zorgen dat het soortelijk gewicht van Europa en de gemeenten toeneemt ten koste van de macht van het Rijk. De economische globalisering en de voortgaande integratie van de Europese Unie roepen een tegenreactie op, namelijk de lokalisering van politieke en bestuurlijke processen. In een steeds groter wordende wereld zouden we ons weer meer gaan richten op het lokale bestuur, dat nog overzichtelijk is en waar de kiezers nog invloed op hebben. Het gevolg van deze twee ontwikkelingen is volgens De Vries helder. De nationale staat raakt steeds meer taken en bevoegdheden kwijt aan Europa en aan de gemeenten. De Vries: ‘De nationale overheid heeft het zelfs versterkt door belangrijke taken te decentraliseren naar de gemeenten. Omdat deze taken complex zijn, ontstaan er spontaan grotere gemeenten.’ Of er steeds meer macht naar Europa gaat, weet De Vries overigens niet zeker. ‘Wel kan ik vaststellen dat het proces van globalisering van de economie en de internationalisering van de politiek en het bestuur op dit moment wordt afgeremd door opkomend nationalisme als reactie op de te ver doorgevoerde globalisering. De positie van de nationale overheid staat absoluut onder druk.’

‘Grip op Brussel is inderdaad belangrijk’, zegt Bernard Steunenberg, hoogleraar bestuurskunde aan de Universiteit Leiden. ‘Voor de grote G4-gemeenten maar óók voor kleinere gemeenten en andere lagere overheden. Soms is er Europees beleid dat amper lokale raakvlakken lijkt te hebben maar dat wel degelijk heeft. Zoals regelgeving rondom aanbestedingen en overheidsinkoop, rondom begrotingsbeleid, de toelating van medicijnen, de mogelijkheden van staatssteun of de manier waarop winkeliers met plastic zakjes omgaan. Allemaal stukjes Europese regelgeving die niet direct als doel hebben om gemeenten, waterschappen of andere lokale overheden te raken, maar dat toch doen. Daar wil je als gemeente natuurlijk wel invloed op hebben. En daar hebben ze de afgelopen tijd heel wat mooie successen geboekt. Een daarvan is dat het Rijk nu toch wat beter luistert naar de lokale overheden in de voorbereiding van standpunten bij nieuwe Europese wetgeving.’ Er is een tijd geweest dat elke gemeente dacht dat ze zelf naar Brussel moest stappen. Daar komen we volgens Steunenberg nu een beetje van terug. ‘Het besef dat die nationale route wel degelijk zin heeft, dringt steeds meer door. Op die manier krijgen gemeenten vaak veel beter een voet tussen de deur en daarmee meer invloed op wetgevingsdossiers die in voorbereiding zijn. Je aansluiten bij de belangrijke lobby van Nederland kan beter werken dan je weg zoeken tussen al die verschillende clubjes van decentrale overheden die vaak heel andere zaken belangrijk vinden.’ 

Grensoverschrijdend

Of die gemeentelijke invloed in Europa ten koste van de nationale overheid gaat, betwijfelt Steunenberg. ‘Veel mensen zien Europa als een soort autonome ontwikkeling die buiten ons om gaat en niet te stoppen valt. Maar je kunt het ook heel anders zien. Nationale politici zitten met een aantal problemen waar ze geen oplossing voor weten. Grensoverschrijdende problemen en globalisering. Dan kijken ze naar Europa als platform om er met collega’s samen over te praten en samen oplossingen te zoeken. Vaak gebeurt dit omdat men nationaal amper mogelijkheden heeft om zo’n probleem aan te pakken. Kijk naar de bankencrisis, de aanpak van grensoverschrijdende criminaliteit of milieuverontreiniging. Daar komen landen in hun eentje niet uit maar wel met elkaar, in Europees verband. Macht klinkt in dat kader te negatief. Dat associeer je met je wil kunnen opleggen. Hier gaat het vaak om het oplossen van reële problemen voor de samenleving.’ Dat laatste is volgens Steunenberg tot nu toe overigens nog beperkt gebleven. ‘Onderzoek wijst uit dat gemiddeld 20 procent van onze nationale regelgeving is ingegeven door Europa. Er is dus nog steeds ook een enorm groot stuk Nederlands recht. Dus Europa heeft invloed, zonder meer. Maar nationale overheden hebben die invloed zeker ook. Dat is goed, daar hebben we ook zelf voor gekozen.’

Vervlochten

Sebastiaan Princen, hoogleraar bestuur en beleid in de Europese Unie aan de Universiteit Utrecht is het grotendeels met Steunenberg eens. Hij vraagt zich echter af of de machtstoename van Europa en gemeenten ten koste van het Rijk gaat. ‘Dat veronderstelt dat het een soort zero sum is. Dat wat er bij de een af gaat, er bij de ander bij komt. Ik denk dat je daar erg voor op moet passen. Er is wel degelijk meer macht naar gemeenten en de Europese Unie gegaan op een aantal gebieden. Maar dat is niet per se ten koste van het Rijk gegaan. De niveaus zijn juist veel meer met elkaar vervlochten geraakt.’ Wat betreft de lokale macht in Brussel ziet Princen wel enorme verschillen tussen gemeenten onderling. ‘De G4 is natuurlijk heel actief in Brussel. Deze vier steden hebben hun eigen ervaren lobbyisten die hun weg naar Brussel heel goed weten te vinden en van alles regelen voor hun gemeente. Daar hebben ze het Rijk niet bij nodig. Voor kleinere gemeenten is het maar de vraag of dat wat oplevert. Daarnaast heb je als gemeente natuurlijk maar een beperkte stem. Zeker als kleine gemeente ben je maar een kleine speler tussen al die enorme partijen en grote lobbyisten. Om iets te bereiken, moet je dan op zoek naar gemeenschappelijke inhoudelijke belangen.’ 

Beleidscoalities

Volgens Princen hebben inhoudelijke belangen overigens veel meer invloed op een eventuele machtsstrijd. ‘De scheidslijn zit niet zozeer tussen lokaal, regionaal of nationaal maar veel meer tussen de inhoudelijke thema’s en tussen netwerken van mensen die iets willen’, merkt hij op. ‘Beleidscoalities dus. Neem een milieubeschermingsnetwerk. Dat bestaat uit mensen vanuit ministeries, gemeenten, milieubelangengroepen en wetenschappers die allemaal met elkaar vinden dat er in Nederland meer zou moeten worden gedaan aan luchtvervuiling. Voor hen is het alleen maar positief dat gemeenten met de Europese richtlijnen in de hand nu kunnen zeggen dat ze strenger beleid gaan voeren op lokaal niveau. Als je bij een ministerie werkt, en dit is wat je wilt, dan voelt dat natuurlijk niet als het inleveren van macht aan gemeenten. Dan heb je vooral het gevoel dat je iets gewonnen hebt ten opzichte van de tegenpartij, de economische lobby, om het maar even simpel te zeggen. Ik denk dat we het vooral zo moeten zien. En dan is er eigenlijk helemaal geen sprake meer van macht van de een ten koste van de ander.’

Bron: http://sdu.instantmagazine.com/sdu-events/focus-2018#!/dossiers/item/1

Paper Europese beleidscyclus

Collega Robert Smeets publiceerde recentelijk zijn paper over de totstandkoming van Europees beleid. Van ambitie naar subsidie, een stappenplan voor organisaties. Het paper is hier te downloaden.